Dit blog...

Dini

Welkom op de website van Dini Commandeur. Als columniste heeft Dini een flink aantal columns voor verschillende bladen geschreven. Daarnaast schrijft Dini af en toe korte verhalen. Deze columns en verhalen zijn op deze website beschikbaar voor iedereen. Periodiek worden hier ook de nieuwste columns en verhalen gepubliceerd.

Archieven

01 Jan - 31 Dec 2018
01 Jan - 31 Dec 2017
01 Jan - 31 Dec 2016
01 Jan - 31 Dec 2015
01 Jan - 31 Dec 2014
01 Jan - 31 Dec 2013
01 Jan - 31 Dec 2012
01 Jan - 31 Dec 2011
01 Jan - 31 Dec 2010
01 Jan - 31 Dec 2009
01 Jan - 31 Dec 2008
01 Jan - 31 Dec 2007
01 Jan - 31 Dec 2006
01 Jan - 31 Dec 2005
01 Jan - 31 Dec 2004
01 Jan - 31 Dec 2003
01 Jan - 31 Dec 2002
01 Jan - 31 Dec 2001
01 Jan - 31 Dec 2000
01 Jan - 31 Dec 1999
01 Jan - 31 Dec 1998
01 Jan - 31 Dec 1997
01 Jan - 31 Dec 1996
01 Jan - 31 Dec 1995
01 Jan - 31 Dec 1994
01 Jan - 31 Dec 1993
01 Jan - 31 Dec 1991
01 Jan - 31 Dec 1990
01 Jan - 31 Dec 00

E-mail

Mail

Links

dini's site in english
dini's site in dutch
Veel meer columns
en nog meer columns
Leeskring
B9-Literatuur
Schrijverspunt

Zoek!

Overig

Powered by Pivot - 1.40.7: 'Dreadwind' 
XML: RSS Feed 

« De zon en de dood (1)… | Home | Komm Sonnenschein, ko… »

De zon en de dood (2)

Maandag 01 Maart 2010 Dat een mens toch zo kan verlangen naar de dood. Vorige maand belde mevrouw S. Het was in dezelfde tijd dat de nieuwsberichten bol stonden van een nieuw burgerinitiatief “Uit vrije wil”. Een initiatief van een groep Nederlanders die het mogelijk wil maken dat aan oude mensen die hun leven voltooid achten en waardig wensen te sterven, op hun uitdrukkelijk verzoek hulp mag worden geboden.

Mevr. S. is 87 jaar. Ik had haar lang niet gesproken. Ze was ziek, vertelde ze. Had lang in het ziekenhuis en daarna in een verpleeghuis gelegen. Maar die dag voelde ze zich goed, en daarom kon ze mij bellen. Ze vertelde wat ze allemaal had meegemaakt het afgelopen jaar en dat was niet niks. Ze had maar één wens: ze wilde zo gauw mogelijk doodgaan. Het leven was mooi geweest, maar nu niet meer, het mocht nu wel stoppen. En wel zo gauw mogelijk. Mevrouw S. was altijd een diepgelovige vrouw geweest. “Maar nu, ” zei ze, “ben ik mijn geloof wel wat kwijtgeraakt. “ Ze was zo moe van het leven. En maar bidden dat ze naar de hemel mocht gaan. Haar hele leven zo gelovig geweest, en volgens de bijbel geleefd. “Is het dan teveel gevraagd om te mogen gaan?” Haar wens werd maar niet vervuld, haar bidden en smeken niet verhoord. En op de vraag waarom dan niet, wist ik ook geen antwoord. Alleen dacht ik wel dat de medische wetenschap een zegen is, maar soms ook een vloek. Want zonder de medische wetenschap was Mevr. S. waarschijnlijk al lang in haar hemel geweest.

Het televisieprogramma “Man bijt hond” was vorige week met de rubriek “Hond aan tafel” bij een ouder echtpaar waarvan de man long- en botkanker heeft. Ondanks de omstandigheden was de man behoorlijk monter. En nuchter. Hoewel hij chemotherapie kreeg en hoopte daarmee zijn leven nog een poosje te kunnen rekken voelde hij dat het niet goed zou komen. Zijn vrouw was net zo nuchter als haar man. Nee, natuurlijk wist ze niet hoe het was als ze straks alleen zou zijn. Ze waren 52 jaar getrouwd, en ze had gehoord dat de weekenden het ergst zijn als je alleen bent. Maar in elk geval was nu alles geregeld wat er te regelen viel. Op de vraag of ze hem later nog zou tegenkomen na dit leven zei ze resoluut dat ze niet in dat sprookje geloofde. Na de dood houdt het leven op. Zo dacht zij er over, en zo dacht haar man er over.

Na die uitzending kon ik dat echtpaar maar niet uit mijn gedachten zetten. Hoe zal het met hen gaan? De man krijgt nog chemotherapie, de dokters zagen dus nog een kansje zijn leven te verlengen. Het is dan wel te hopen dat dat leven kwaliteit zal hebben.

Mijn vader had ook longkanker. Al lange tijd had hij zich niet goed gevoeld. En als wij hem vroegen hoe het met hem ging, antwoordde hij op z’n Leeuwarders dat hij zo dempig was als een oud peerd. Wat betekende dat hij het benauwd had. Het eten smaakte hem ook niet meer. Dat was zorgwekkend, maar het meest schrok ik toen mijn jongste zus vertelde dat hij al vier weken niet meer rookte, omdat hij niet meer van zijn shaggie genoot. Dat was eng. Hij had, op de oorlogsjaren in Duitsland na, zijn hele volwassen leven gerookt. Ontelbare shaggies, ondanks alle protesten van vrouw en kinderen. En nu was hij uit zichzelf gestopt. Dat klopte niet. Hij had het niet zo op ziekenhuizen en artsen en toen hij eindelijk dan toch bij de longarts terecht kwam was het te laat.

Een paar maanden, had de dokter gezegd. Maar het ging zo snel. Eerst zat hij nog gewoon in zijn stoel als we thuiskwamen. En praatte. Hij praatte zoveel, vooral over vroeger. Op een gegeven moment kwam er een bed van de thuiszorg, en een zuster om hem te wassen. Overdag waren wij er, om de beurt. En er kwam bezoek, de dominee kwam regelmatig langs, en de dokter. Er werd nog een achterkleinkind geboren, en totaal onverwacht overleed de schoonvader van mijn jongste zus.

Tussen de drukte door waren de rustige uren bij zijn bed. Er was altijd iemand bij hem. We lazen een tijdschrift als hij even sliep, we praatten als hij wakker was. De gesprekken werden gaandeweg korter. De morfine maakte hem suf.

Op een dag zat ik naast zijn bed. Buiten scheen de zon. Het was januari, maar het leek wel lente. Op weg naar mijn ouderlijk huis had ik gezien dat in de stad de zonaanbidders alweer op terrasjes neerstreken. Zelfs de vogels waren al in lentestemming, er werd uitbundig gezongen. Ik vroeg mijn vader hoe het ging en zoals altijd zei hij dat het goed ging. Geen pijn? Nee, geen pijn. We praatten over de vader van mijn zwager die zo onverwacht was overleden. Geen afscheid kunnen nemen, dat is erg. En van daaruit ging het gesprek over op de dood. Ik vroeg mijn vader of hij bang was. Nee, hij was niet bang. Ik vertelde dat ik verhalen had gelezen en gehoord van mensen met bijna-doodervaringen. En dat waren zonder uitzondering mooie verhalen. Het loskomen van het lichaam, de tunnel, het licht, het immense gevoel van blijheid en vrede. Mijn vader kende zo’n verhaal. Zijn maat Henk had het meegemaakt. Jaren geleden, toen hij in het kanaal was gevallen en bijna was verdronken. Ze hadden hem er uitgevist en gered,en dat hadden ze nooit moeten doen, had Henk later nog vaak gezegd. Want hij was veel liever “daar”, gebleven, aan het andere eind van die tunnel.

Het was goed te weten dat mijn vader niet bang was. Want het leven hier was niet leuk meer, hoewel arts en apotheker er alles aan deden om het draaglijk te maken. Morfinepleisters tegen benauwdheid en pijn, en dat werkte, maar toen de dosering werd opgevoerd kwamen er rare bijwerkingen. “Hij ziet geesten, “ zei mijn moeder een paar dagen na ons gesprek over de tunnel en het licht. En inderdaad, mijn vader zei met grote ogen dat er steeds twee geesten in de kamer waren. “Jaag ze maar weg,” zei ik. “Dat doe ik ook, maar ze komen steeds terug,“ zei hij. “Kijk, ze staan nu achter je.” Ik draaide me om. “Ophoepelen, “ zei ik tegen iets wat voor mij onzichtbaar was. “Wegwezen, nu! En waag het niet om terug te komen.”  “Zijn ze weg? “ vroeg ik. Ja, ze waren weg. Toen de dokter later kwam, zei hij dat mijn vader door de morfine aan het hallucineren was. Hij schreef nog een ander middeltje voor en het hallucineren was voorbij.

En aan het eind van die week, nog geen maand nadat de dokter had verteld dat mijn vader longkanker had, sliep hij in.

Gerrit Breteler zingt in het lied “Op een dag drink je geen Grolsch meer” dat we geen sleutels nodig hebben om in de hemel te komen. Die deur is open voor iedereen. Mevrouw S. wacht nog steeds tot zij die deur mag binnengaan, en ik hoop voor haar dat dat wachten niet te lang meer duurt. De meneer uit “Man bijt hond” gelooft niet in dat sprookje. Hij heeft vast nooit een bijna-doodervaring gehad, want mensen met zo’n ervaring geloven allemaal in een leven na de dood. Mijn vader geloofde ook in de tunnel en het licht, want zijn maat Henk had hem daar uit eigen ervaring over verteld. Mijn vader was ook christelijk en zal ongetwijfeld hebben geloofd dat de tunnel naar de hemel leidt. Maar wat iemand ook gelooft of niet gelooft, misschien is het nog het allerbelangrijkst om vrede te sluiten met de dood. In de 17e eeuw schreef de Franse schrijver de la Rochefoucauld: "De zon noch de dood kun je in de ogen kijken". En een kennis had een variatie op die tekst boven de rouwadvertentie van haar man gezet. Nee we kunnen de zon niet in de ogen kijken, maar we kunnen ook niet zonder de zon, noch zonder de dood. Want wie wenst voor eeuwig te leven?

Mijn vader was zo ziek en hij had vrede met de dood. Je zou kunnen zeggen dat hij de dood toch kalm in de ogen keek. En de dood kwam en nam hem mee. Maar, men zegt, zolang er nog zoveel herinneringen zijn, zolang er nog zoveel verhalen zijn, zolang is iemand die gestorven is, toch niet helemaal weg. Ook al ligt hij al tien jaar begraven op een klein kerkhof in een dorp niet ver van Leeuwarden.


 

Design and implementation by Focusys