Dit blog...

Dini

Welkom op de website van Dini Commandeur. Als columniste heeft Dini een flink aantal columns voor verschillende bladen geschreven. Daarnaast schrijft Dini af en toe korte verhalen. Deze columns en verhalen zijn op deze website beschikbaar voor iedereen. Periodiek worden hier ook de nieuwste columns en verhalen gepubliceerd.

Archieven

01 Jan - 31 Dec 2018
01 Jan - 31 Dec 2017
01 Jan - 31 Dec 2016
01 Jan - 31 Dec 2015
01 Jan - 31 Dec 2014
01 Jan - 31 Dec 2013
01 Jan - 31 Dec 2012
01 Jan - 31 Dec 2011
01 Jan - 31 Dec 2010
01 Jan - 31 Dec 2009
01 Jan - 31 Dec 2008
01 Jan - 31 Dec 2007
01 Jan - 31 Dec 2006
01 Jan - 31 Dec 2005
01 Jan - 31 Dec 2004
01 Jan - 31 Dec 2003
01 Jan - 31 Dec 2002
01 Jan - 31 Dec 2001
01 Jan - 31 Dec 2000
01 Jan - 31 Dec 1999
01 Jan - 31 Dec 1998
01 Jan - 31 Dec 1997
01 Jan - 31 Dec 1996
01 Jan - 31 Dec 1995
01 Jan - 31 Dec 1994
01 Jan - 31 Dec 1993
01 Jan - 31 Dec 1991
01 Jan - 31 Dec 1990
01 Jan - 31 Dec 00

E-mail

Mail

Links

dini's site in english
dini's site in dutch
Veel meer columns
en nog meer columns
Leeskring
B9-Literatuur
Schrijverspunt

Zoek!

Overig

Powered by Pivot - 1.40.7: 'Dreadwind' 
XML: RSS Feed 

« Groeispurt | Home | Katten »

Dag Amsterdam

Bancorama 2001 nummer 1 Donderdag 15 Februari 2001 Vorig jaar was ik met mijn echtgenoot een paar dagen in Londen.  Daar ontmoetten we een dame, die zodra ze merkte dat wij Hollanders waren, vertelde dat zij zes jaar in Amsterdam had gewoond. “Ach, Amsterdam,” riep ik, meteen aangedaan. Want ik hou van die stad, en ik ga graag af en toe een dagje “Amsterdammen”. Ze keek me een beetje jaloers aan, die Londense mevrouw. Kon zij dat ook maar. De trein pakken en een dag in Amsterdam rondzwerven. Zo’n mooie stad.
En dan de Amsterdammers. Such nice people. Zij had niet eens Nederlands hoeven te leren. Vrijwel iedere Amsterdammer sprak Engels. “Dank-oe-wel” waren de enige Nederlandse woordjes die zij kende. Ach, Amsterdam. Haar ode aan onze hoofdstad ging door tot wij afscheid van haar namen, en zij me vroeg de groeten aan Amsterdam te doen. “Doe ik,” beloofde ik. “Dank-oe-wel,” zei ze.

Dus ging ik op een zaterdag met mijn reisvriendin Anna naar Amsterdam. With greetings from London. Toen we op het Centraal Station arriveerden had ik zoals gewoonlijk de pauselijke neiging om de Amsterdamse grond te kussen. Maar hoe ver ik ook ga in mijn adoratie voor de hoofdstad, de grond kussen blijft bij een neiging. Trouwens, we zijn ook nooit meteen het station uit. We gaan altijd eerst nog even naar de toiletten. Daar stond ook deze keer een lange rij wachtenden. Een strenge toiletmevrouw hield in de gaten dat niemand voordrong, en toen ik eindelijk aan de beurt was hoorde ik haar een meneer tot de orde roepen. “Ik drong niet voor, mens,” riep de meneer en zij kefte iets terug wat ik niet kon verstaan van achter de gesloten deur. Maar de meneer was ook niet voor de poes en het ging even hard tegen hard. Was ik nu voor het eerst in Amsterdam geweest, dan was ik me lam geschrokken. “Dit is dus een staaltje van de beruchte randstadmentaliteit,” zou ik huiverend gedacht hebben, doodsbenauwd dat er klappen zouden vallen. Inmiddels weet ik dat zo’n aanvaring meestal meer blaffen dan bijten is. Ook dit incident liep met een sisser af, en wij konden aan ons dagje Amsterdam beginnen. Toch liet de gebeurtenis bij de toiletten ons niet meteen los. Want waarom werd er om zo’n pietluttigheid toch meteen zo tekeer gegaan? Waarom kon zo’n probleempje niet beschaafd en zonder stemverheffing worden opgelost? “Die toiletjuffrouw was ook wel érg chagrijnig,” zei Anna, die meer van het voorval had gemerkt dan ik. “Misschien was ze moe, ze was per slot ook de jongste niet meer.” Maar later die dag waren we er getuige van dat twee voorbijgangers het niet met elkaar eens waren en van hun hart bepaald geen moordkuil maakten. (“Ach ja,” zeiden wij. “Het schijnt gezond te zijn om je frustraties niet op te kroppen…) En in de Kalverstraat raakten een paar Amsterdammers even in de clinch met de politie omdat er in die straat nu eenmaal géén fietsers maar wél agenten te paard mogen rijden. Amsterdammers hebben van oudsher een hekel aan gezag (zegt Appie Baantjer in het boek “Het Amsterdam van Baantjer”) en dus is zo’n onrechtvaardigheid voor een echte Amsterdammer moeilijk te verkroppen. 

Enfin, we hadden voor de rest een geweldige dag. We zwierven over de Zeedijk, de Nieuwmarkt en de Wallen. We bezochten het Waterlooplein, de Albert Cuyp en zelfs nog even de Slegte. Eén dag is veel te kort, concludeerden we ‘s avonds op het station weer eens. Want aan het Vondelpark, de Jordaan, het Begijnhof, en de beroemde pleinen waren we deze keer niet toegekomen.

Voor we in de trein stapten, gingen we weer even naar de toiletten. Daar was dezelfde toiletmevrouw van 's ochtends aanwezig. “Nog steeds aan het werk?” vroeg ik verbaasd.  “Ja, vanaf zes uur vanmorgen ben ik hier bezig,” vertelde ze. ”Wat zult u dan moe zijn,” zei ik. “Morgen maar lekker uitrusten.” Het beetje medeleven deed haar blijkbaar goed. Haar gezicht klaarde op. Niks uitrusten, zei ze. Morgen ging ze naar d’r kleinkind. Een meisje van anderhalf jaar. En kijk, zij die na een dag van veertien uur werken bekaf moest zijn, veranderde van een sikkeneurige toiletjuffrouw in een liefhebbende oma. Een oma die stond te glimmen van trots en daardoor leek ze licht uit te stralen en was ze heel even een engel op het Centraal Station.

Terwijl de trein wegreed en Amsterdam uit het zicht verdween kwamen we tot de ontdekking dat we vergeten waren de groeten uit Londen te doen. “Volgende keer dan maar,” zeiden we. "Want wij komen terug. We’ll be back."

Dini Commandeur


 

Design and implementation by Focusys