Dit blog...

Dini

Welkom op de website van Dini Commandeur. Als columniste heeft Dini een flink aantal columns voor verschillende bladen geschreven. Daarnaast schrijft Dini af en toe korte verhalen. Deze columns en verhalen zijn op deze website beschikbaar voor iedereen. Periodiek worden hier ook de nieuwste columns en verhalen gepubliceerd.

Archieven

01 Jan - 31 Dec 2018
01 Jan - 31 Dec 2017
01 Jan - 31 Dec 2016
01 Jan - 31 Dec 2015
01 Jan - 31 Dec 2014
01 Jan - 31 Dec 2013
01 Jan - 31 Dec 2012
01 Jan - 31 Dec 2011
01 Jan - 31 Dec 2010
01 Jan - 31 Dec 2009
01 Jan - 31 Dec 2008
01 Jan - 31 Dec 2007
01 Jan - 31 Dec 2006
01 Jan - 31 Dec 2005
01 Jan - 31 Dec 2004
01 Jan - 31 Dec 2003
01 Jan - 31 Dec 2002
01 Jan - 31 Dec 2001
01 Jan - 31 Dec 2000
01 Jan - 31 Dec 1999
01 Jan - 31 Dec 1998
01 Jan - 31 Dec 1997
01 Jan - 31 Dec 1996
01 Jan - 31 Dec 1995
01 Jan - 31 Dec 1994
01 Jan - 31 Dec 1993
01 Jan - 31 Dec 1991
01 Jan - 31 Dec 1990
01 Jan - 31 Dec 00

E-mail

Mail

Links

dini's site in english
dini's site in dutch
Veel meer columns
en nog meer columns
Leeskring
B9-Literatuur
Schrijverspunt

Zoek!

Overig

Powered by Pivot - 1.40.7: 'Dreadwind' 
XML: RSS Feed 

« De honden van Rhodos | Home | De mens en de zin van… »

Droomkind

Dinsdag 10 April 2012 Met volle maan droom je vaak de gekste dingen, weet ik uit ervaring. En dat het in de nacht van Goede Vrijdag er weer roerig aan toe ging toen ik in dromenland vertoefde, herinner ik me omdat ik tussendoor even wakker werd. En omdat ik dacht: “nou, nou, waar haal je die onzin toch vandaan?” Meteen daarna moet ik weer in slaap gevallen zijn, maar of er nieuwe ontwikkelingen in die droom kwamen, of dat er een andere droom uit ontstond, weet ik niet meer. Die onzindroom ben ik kwijt.  Want dromen onthoudt men niet zo vaak, misschien is dat de bedoeling ook niet. De functie van dromen is immers alleen maar om de dagelijkse gebeurtenissen te verwerken.
Maar in de vroege ochtend van Eerste Paasdag had ik een droom die niets met een dagelijkse gebeurtenis te maken kon hebben, het belangrijkste onderdeel in elk geval niet. Want ik droomde dat ik, totaal onverwacht, weer een kind kreeg. Een piepklein jongetje dat ik in totale verbijstering plotseling in mijn armen had. Onbetwistbaar mijn kind, hoewel het toch niet waar kon zijn. Ik, met mijn negenenvijftig jaar. Maar het was er. Heel klein, en zo mooi en volmaakt. Hij keek me aan met zijn heldere oogjes en het bleek dat we konden communiceren. Ik kon met hem praten en hij antwoordde, geluidloos weliswaar, maar zijn antwoorden kwamen toch helder bij mij binnen. Ondanks het feit dat hij nog maar net was geboren, gingen we met hem op pad. Een kinderwagen stond al te wachten, alles kan in een droom, per slot. In een volgend beeld zaten we in het theater. Het theater hield een soort open dag, er waren diverse artiesten, dichters, schrijvers. Joop van den Ende was er ook. Hij zat aan een tafeltje met een paar mensen te praten. De artiesten traden niet alleen op, maar men kon ook vragen stellen over hun werkwijze, of gewoon even met ze praten. Het was gezellig druk.
Ik sprak nog met een beroemde auteur, maar wie dat was kwam in mijn droom niet naar voren, helaas.
We zaten aan een tafeltje in een soort theater/restaurant, de baby lag tegen mij aan, het kopje op mijn schouders. Daar kwam F. bij ons zitten. Een vriend van de oudste zoon. F. is zelf vader van twee kinderen, en kwam op ’kraambezoek’. Hij nam het kindje in zijn armen, beroerde een van de pinkjes en zei vol verbazing dat hij nog nooit zo’n klein kindje had gezien. Ik vond het leuk om weer eens met F. te praten. Hij en mijn zoon gingen vroeger vaak met een groep andere studenten in het weekend stappen, en omdat F. niet in de stad woonde sliep hij dan vaak bij ons. Leuke weekenden waren dat. Er werd veel gelachen, want studenten hebben doorgaans, misschien door hun trouw drankgebruik, behoorlijk wat humor in huis.
En nu, vele jaren later, zat F. met onze baby in zijn armen tegenover ons, en verwonderde zich over de piepkleine vingertjes. De baby vond het prima, hij mocht F. wel, geloof ik.
Op een gegeven moment was F. weer weg. Het kindje vertelde me woordeloos dat het moe was en wilde slapen. Eerst een schone Pamper, hij was drijfnat. Daarna werd het in de wagen gelegd om te slapen. En toen het sliep, toen pas realiseerde ik me dat het echt mijn kind was.
En ik raakte in paniek. Een kind, nu nog, op onze leeftijd. Wat voor raar kunstje had de natuur met me uitgehaald? Wat moest ik met een baby? Ik zat er niet op te wachten om opnieuw een kind groot te brengen. De luiers, peuterzaal, school, studiekeuze… maar dat waren niet eens de grootste problemen. Dit jongetje zou moeten leven in de wetenschap dat hij zijn ouders kwijt zou raken als hij nog jong was. Of nog erger, hij zou, terwijl zijn vrienden uitgingen en leuke dingen deden, waarschijnlijk mantelzorger moeten zijn voor een stel beverige, kwakkelende, ziekelijke, en misschien dementerende ouders. En voor het zover was: hoe zou ik zijn als moeder? Zou ik wel in staat zijn om hem te helpen als hij gepest werd omdat hij zulke oude ouders had, of om welke andere reden dan ook?. Zou ik hem kunnen helpen bij zijn huiswerk? Zou ik hem wel weerbaar kunnen maken? Wat zou ik hem in vredesnaam in het leven mee kunnen geven? Op een gegeven moment verandert de rol van de ouder. De tijd komt dat de ouder het kind om advies gaat vragen, om raad, om hulp bij klusjes die de ouder vroeger voor het kind deed. De verandering van rol gebeurt meestal geleidelijk, maar is altijd toch nog te snel, de tijd is er meestal eerder aan toe dan de ouders. En dit kind, zou het in staat zijn om die zorgrol al zo jong op zich te nemen, en mag je dat een kind wel aandoen? Zou ik hem wel lang genoeg kind kunnen laten zijn?
Maar het kind was geboren. Het lag puur en volmaakt in de wagen, en sliep. In een onbedwingbare behoefte hem in mijn armen te nemen, pakte ik hem op, en liet hem doorslapen op mijn borst. Ik keek naar zijn hoofdje. Kindje, waarom ben je er toch?
In de war liep ik naar het raam en staarde naar buiten. Voor mijn geestesoog verscheen mijn eigen achtertuin. Met een paar speeltoestellen, een schommel, een glijbaantje. Als hij groter werd zou er weer een basketbalnet geplaatst kunnen worden, bedacht ik. Ik zag vriendjes met hem spelen, en ik zag hem groter worden in een maatschappij die zo aan het veranderen en aan het verharden is. Hoe zou het gaan met dit kleine jochie, in deze omstandigheden en met een onzekere toekomst? Paniek, paniek….
Hij werd wakker en keek me aan. Hij las mijn gedachten, voelde mijn angst. “Niet bang zijn,” zei hij. “Het komt wel goed. Geloof me maar, alles komt goed.”

En toen werd ik wakker, met lege armen en een jagend hart. Eerst was er opluchting, gelukkig, het was maar een droom. Toen kwam de verwondering. Zo’n merkwaardige droom had ik nog nooit gehad. Ik zocht een verklaring.
Het theater. Verklaarbaar omdat we het over een voorstelling hadden gehad die misschien de moeite waard was om naar toe te gaan.
Joop van den Ende was verscheidene keren op tv geweest, hij is ergens in mijn onderbewuste blijven hangen, dat kon niet anders.
De onbekende auteur. Ik was bij de Slegte geweest, had veel boeken gezien van mij onbekende schrijvers.
De kinderwagen. Ik had iemand met een soortgelijke wagen zien wandelen, en toen aan de tijd gedacht dat ik zelf, trots als een pauw, achter een kinderwagen liep.
F. Ook hij moet in mijn gedachten zijn geweest. En dat kan kloppen omdat mijn oudste zoon had verteld dat hij hem pas nog had gezien.
De baby. Dromen zijn meestal bedrog, dat is ook mij bekend, maar waar die baby in mijn droom vandaan kwam was een raadsel, en de verwarring waarmee ik op Eerste Paasdag wakker werd bleef hangen. Ik deed het slaapkamergordijn open, en staarde naar buiten, naar de achtertuin Er waren geen speeltoestellen, en er zou ook geen basketballnet komen. Er was alleen een straatkat die op zijn ontbijt zat te wachten. En terwijl ik de trap afliep om hem te voeren, vervaagde het beeld van het bijzondere jongetje, het droomkind dat had gezegd dat alles goed zou komen.
 

Design and implementation by Focusys